Marfan Syndroom

Onderzoek naar effectieve medicatie voor patiënten met het Marfan syndroom

Patiënten met het Marfan Syndroom hebben een erfelijke aandoening waarbij het eiwit fibrilline-1
defect is. Het grootste, maar onzichtbare, gevaar is de verweking van de grote levensslagader; de
aorta. De aorta kan ongemerkt enorm vergroten (aneurysma) en daardoor plotseling scheuren met
het overlijden van een Marfan patiënt als gevolg.

Identificatie van Marfan Syndroom gebeurt vaak al in de kindertijd of bij adolescenten door uiterlijke
kenmerken zoals heel lang zijn voor je leeftijd, botvergroeiingen van de borstkas of rug of
oogproblemen. Veel Marfan patiënten ondervinden problemen van deze uiterlijke kenmerken in het
dagelijks leven. Daarnaast is angst voor het onzichtbare gevaar dat hun aorta zal scheuren een grote
last. Maar er zijn ook patiënten zonder extreme uiterlijke kenmerken waardoor een Marfan patiënt
(en soms daardoor een hele familie) pas na een levensbedreigend aorta probleem in het ziekenhuis
kan worden geïdentificeerd.

Zonder behandeling scheurt de aorta vaak vóór het 40ste levensjaar of tijdens of vlak na een
zwangerschap en kan een patiënt in het ernstigste geval plotseling overlijden. Aangezien er nog geen
effectieve medicatie is, worden de meeste patiënten jaarlijks gevolgd door o.a. het maken een echo
van het hart en aorta. Als de aorta een diameter van 5 cm (normaal is 2-3 cm) heeft wordt het
verwijde deel van de aorta chirurgisch vervangen door een kunststof buis. De invasieve aorta
operaties zijn essentieel om de levensverwachting van de Marfan patiënten te verbeteren.
Preventieve chirurgie is erg succesvol, maar nu Marfan patiënten steeds ouder worden, is het
duidelijk dat de ziekte verderop in de aorta doorgaat, waardoor er nog 1 of 2 operaties kunnen
volgen. Dit geeft aan dat een betere medicamenteuze behandeling nodig is. Daarnaast zouden we bij
jonge kinderen met Marfan Syndroom de aorta groei zelfs nog kunnen voorkomen. Alleen kan er pas
gerichte medicatie worden ontwikkeld, wanneer duidelijk is waardoor de aorta van Marfan patiënten
zo kan vergroeien.

Momenteel worden alleen bloeddrukverlagende medicijnen gegeven om de druk op de aorta te
verminderen. Hoewel dit de ziekte wat vertraagt zorgt dit er niet voor dat de aorta weer gezond
wordt. Het grote probleem bij het Marfan Syndroom is dat er meer dan 3000 verschillende mutaties
in het fibrilline-1 gen bekend zijn, die wellicht de verschillen in ernst van de aorta ziekte kunnen
verklaren. De onderzoeksgroep van dr. Vivian de Waard van de afdeling Medische Biochemie van het
Amsterdam UMC (locatie AMC) wil de huid en aorta spiercellen van ongeveer 100 verschillende
Marfan patiënten onderzoeken om te kijken naar deze verschillen. Deze cellen worden speciaal
gekweekt uit weefsels van patiënten en zijn zodoende identiek aan de cellen van de patiënt. Door
een panel van 1000 reeds bestaande medicijnen aan deze gekweekte cellen toe te dienen, wordt het
mogelijk om te bestuderen welke medicatie het beste bij welk subtype Marfan patiënt past.
Aangezien deze medicijnen al in de kliniek worden gebruikt, zal een effectieve medicatie die de
functie van de aorta spiercellen kan verbeteren, snel kunnen worden toegepast bij de individuele
Marfan patiënt.

Het onderzoek zal 4 jaar duren en bij voldoende financiering van start kunnen gaan.